2ὁ ἄνθρωποςmens
2γάρwant, immers, namelijk
2ἡ γῆland, aarde
2δέ, δ’en, maar
2τὸ δένδρονboom
2εἰσί(ν)(zij/er) zijn, bestaan
2ἐνταῦθαdaar
2ἔπειταdaarna
2τὸ ἔργονwerk, taak, daad
2ἐστί(ν)(hij/zij/het/er) is, bestaat
2ἡ θεάgodin
2ὁ θεόςgod
2καίen, ook, zelfs
2ἡ μάχηstrijd, gevecht
2ὁ, ἡ, τόde, het
2οὐ / οὐκ / οὐχniet
2ἡ πέτραrots, rotsblok
2ὁ ποταμόςrivier
2πρῶτονeerst
2τότεdan, toen, op dat moment
3ἄγωleiden, brengen
3ἀείaltijd, steeds
3ἀλλά, ἀλλ’maar
3αὐτίκαmeteen
3ὁ βίος(het) leven
3ὁ ἥλιοςzon
3τὸ θηρίον(wild) dier
3ὁ ἵπποςpaard
3κατά, κατ’, καθ’ + acc(verspreid) over
3λέγωzeggen, spreken
3μέν ... δέ(weliswaar) ... maar, ... en
3νοέωwaarnemen, opmerken
3νῦνnu, op dit moment
3ὀνομάζωnoemen
3τὸ πεδίονvlakte
3φέρωdragen, brengen
4ἡ ἀδελφήzus
4ὁ ἀδελφόςbroer
4ὁ δόλοςlist, bedrog
4εἰς + accnaar, (binnen)
4ἔχωhebben, houden
4ὁ θρόνοςtroon
4ἡ κόρηmeisje
4οὖνdus, dan, nu
4οὕτω(ς)zo, op deze wijze
4πρός + accnaar (toe), tot, tegen
4τέλοςtenslotte
4τὸ τέκνονkind
4τίκτωter wereld brengen, voortbrengen
4ὁ υἱόςzoon
6ἡ ἀσπίς, ἀσπίδοςschild
6βλέπωkijken
6ἡ γυνή, γυναικόςvrouw
6διά, δι’ + gendoor ... heen, gedurende
6τὸ δόρυ, δόρατοςlans
6ἐγγύς + gendichtbij
6ἐκ / ἐξ + genuit
6ὁ Ἕλλην, ἝλληνοςGriek
6ἡ ἐσθής, ἐσθῆτοςkleding(stuk)
6ὁ ἡγεμών, ἡγεμόνοςleider, aanvoerder
6ἤδηal, reeds, (vanaf) nu
6ἡ θυγάτηρ, θυγατρόςdochter
6ἡ κεφαλήhoofd
6μάλα, μάλ’zeer, erg
6ἡ μήτηρ, μητρόςmoeder
6μόνονalleen (maar)
6τὸ ὄνομα, ὀνόματοςnaam
6τὰ ὅπλαwapens
6ὁ πατήρ, πατρόςvader
6τὸ πρᾶγμα, πράγματοςzaak, gebeurtenis
6τὸ πῦρ, πυρόςvuur
6ἡ τέχνηkunst, vaardigheid
6τὸ φῶς, φωτός(dag)licht
7ὁ ἀνήρ, ἀνδρόςman
7ἀντί, ἀντ’, ἀνθ’ + genin ruil voor, in plaats van
7ἡ ἀρετήdapperheid, voortreffelijkheid
7ἡ βοήθειαhulp
7βοηθέω + dathelpen
7τὸ δῶρονgeschenk
7ἐθέλωwillen
7εἰals, indien
7ἐν + datin, op, bij
7ὁ ἥρως, ἥρωοςheld
7κτείνωdoden
7ὁ/ἡ παῖς, παιδόςkind
7παρέχωgeven, verschaffen
7φαίνωlaten zien, tonen
7φεύγωvluchten, ontvluchten
7ὁ φόβοςangst
7χαίρωblij zijn
7ἡ χώραgebied, plaats
7ὡς(zo)als
7ὡς τάχισταzo snel mogelijk, zodra
8αὐτός, αὐτή, αὐτόνhij, zij, het
8αὐτοῦ/αὐτῆς/αὐτοῦhem, haar, het
8ἐγώ/ἐμοῦ/ἐμοί/ἐμέik, mij
8ἡ Ἑλλάς, ἙλλάδοςGriekenland
8ἐπί, ἐπ’, ἐφ’ + dataan, bij
8ἡμεῖς/ἡμῶν/ἡμῖν/ἡμᾶςwij, ons
8ἡ θάλατταzee
8ὁ κίνδυνοςgevaar
8θαυμάζωbewonderen
8ὁ λιμήν, λιμένοςhaven
8ὅτιomdat
8τὸ πλοῖονvaartuig, schip
8ποιέωmaken, doen
8ἡ σοφία(vak)kennis, wijsheid
8ὁ στόλοςreis, expeditie
8σύ/σοῦ/σοί/σέjij, jou, u
8σύν + datmet
8ἡ τιμήeer, aanzien
8ὑμεῖς/ὑμῶν/ὑμῖν/ὑμᾶςjullie
8ὁ φίλοςvriend
8ὦ(aanhef, meestal niet vertalen)
9ἁρπάζωroven
9αὖθιςopnieuw
9ὁ γέρων, γέροντοςoude man
9τὸ δεῖπνονmaaltijd
9διαφθείρωvernietigen, bederven
9ἡ δίκηstraf
9διώκωachtervolgen
9ἥκωkomen, gekomen zijn
9κατά, κατ’, καθ’ + acc(verspreid) over, overeenkomstig
9ὁ λόγοςwoord, verhaal
9ἡ ὁδόςweg, tocht
9οὗwaar
9οὐκέτιniet meer
9παρασκευάζωvoorbereiden, klaarmaken
9πέμπωzenden, sturen
9περί + genover, om
11ἀγανακτέωboos worden, boos zijn
11ἀκούω + gen, accluisteren (naar), horen
11γιγνώσκωbegrijpen, (leren) kennen
11εἰμίzijn, bestaan
11ἔτιnog
11κωλύωtegenhouden, verhinderen
11λαμβάνωnemen, krijgen
11λύωlosmaken, bevrijden
11μέλλωzullen, van plan zijn, op het punt staan
11μετέχω + gendeelnemen aan
11μή + impniet
11ὁ οἶκοςhuis, woning, erf
11ὁ οἶνοςwijn
11ὅτιomdat, dat
11οὔποτεnooit
11πίνωdrinken
11πράττωdoen, handelen
11πῶςhoe
11σῴζωredden
11τάχαsnel, spoedig
12ἀπό, ἀπ’, ἀφ’ + genvan (... vandaan), vanaf; sinds
12διά, δι’ + accwegens, door toedoen van
12ἔθανονaor van thnesko
12εἶδονaor van horao
12εἶπονaor van lego
12εἶχονipf van echo
12ἔλαβονaor van lambano
12ἐπεί / ἐπειδήtoen, nadat; omdat, aangezien
12ἐπί, ἐπ’, ἐφ’ + genop, tijdens
12ἔσχονaor van echo
12ἔτραπονaor van trepo
12ἔτυχονaor van tunchano
12εὑρίσκωvinden
12ἔφυγονaor van pheugo
12ηὗρονaor van heurisko
12θνῄσκωsterven, omkomen
12λείπωverlaten, achterlaten
12μένωblijven, wachten (op)
12ὁράωzien
12τρέπωwenden, keren
12τυγχάνω + gentreffen, raken; krijgen
12λέγωzeggen, spreken
12λαμβάνωnemen, krijgen
12ἔχωhebben, houden
12φεύγωvluchten, ontvluchten
13ἀπέθανονaor van apothnesko
13ἀποθνῄσκωsterven, omkomen
13ἀποκτείνωdoden
13βάλλωgooien
13ἔβαλονaor van ballo
13ἔδραμονaor van trecho
13ἔλιπονaor van leipo
13ἐλπίζωhopen (op), verwachten
13ἔμαθονaor van manthano
13ἔπαθονaor van pascho
13ἔπεσονaor van pipto
13μανθάνωleren (kennen), vernemen
13ἡ νίκηoverwinning
13νομίζωmenen, beschouwen als
13ὀφείλω + infverplicht zijn te
13πάσχωlijden, ondervinden
13περί + accrondom, om
13πίπτωvallen
13ὁ πόλεμοςoorlog
13τό σῶμα, σώματοςlichaam
13τρέχωrennen
13λείπωverlaten, achterlaten
14αἱρέωgrijpen, pakken
14ἆραleidt vraagzin in (niet vertalen)
14βαίνωgaan, stappen
14δύοtwee
14εἷλονaor van haireo
14ἐξαίφνηςplotseling
14ἔπιονaor van pino
14ἤγαγονaor van ago
14ἤνεγκονaor van phero
14ὁ θάνατοςde dood
14θαυμάζωbewonderen, zich verwonderen over
14μετά, μετ’, μεθ’ + gen(samen) met
14οἱ μέν ... οἱ δέ ...sommigen ... anderen ...
14πάρειμιaanwezig zijn
14πιστεύω + datgeloven, vertrouwen op
14ποτεeens, ooit
14τό ὕδωρ, ὕδατοςwater
14φυλάττωbewaken, beschermen
14πίνωdrinken
14ἄγωleiden, brengen
14φέρωdragen, brengen
16γελάωlachen
16δήdus, dan, natuurlijk
16δοκέωlijken, de indruk wekken, menen
16ἐρωτάωvragen
16ζητέωzoeken
16καὶ δή καίen ook, en vooral
16καλέωroepen, noemen
16κατά-naar beneden, neer-
16κατά, κατ’, καθ’ + genvan ... af (naar beneden)
16οἰκέωwonen, bewonen
16τὸ πνεῦμα, πνεύματοςlucht, adem
16πολλάκιςvaak
16ῥέωstromen
16σκοπέωbekijken, beschouwen
16σφόδραhevig, zeer, erg
16τίwat, waarom
16τιμάωeren, vereren
16ὑπέρ + genboven
17ἀγνοέωniet begrijpen, niet weten
17ἡ ἀλήθειαwaarheid
17ἡ ἀρχήbegin, heerschappij, rijk
17γελάωlachen
17δεῦροhierheen
17διότιomdat, doordat
17ἐγέλασαaor van gelao
17ἔκρυψαaor van krupto
17ἐλπίζωhopen (op), verwachten
17ἔξεστι(ν) + infhet is mogelijk om
17ἔπεμψαaor van pempo
17ἔψευσαaor van pseudo
17ἐπιθυμέω+ gen verlangen naar, + inf ernaar verlangen om
17ἐφύλαξαaor van phulatto
17ἤλπισαaor van elpizo
17θύωofferen
17κρύπτω + acc (+ acc)verbergen (voor)
17μάλισταvooral, het meest
17νικάωoverwinnen
17οὐδείς, οὐδενόςniemand
17οὐδέν, οὐδενόςniets
17πέμπωzenden, sturen
17πολεμέω (+ dat)oorlog voeren (tegen)
17συμβουλεύω + dataanraden
17ἡ τύχηlot, kans, geluk, ongeluk
17φυλάττωbewaken, beschermen
17ψεύδωbedriegen
18ἀπέκτειναaor van apokteino
18ἀποκτείνωdoden
18ἀφαιρέω + acc + acc(iemand iets) afpakken
18ἀφεῖλονaor van aphaireo
18βαίνωgaan, stappen
18βουλεύωberaadslagen, aor besluiten
18γιγνώσκωbegrijpen, (leren) kennen
18διαφθείρωvernietigen, bederven
18διέφθειραaor van diaphtheiro
18ἔβηνaor van baino
18ἔγνωνaor van gignosko
18ἔκλεψαaor van klepto
18ἔνειμαaor van nemo
18ἐσθίωeten
18ἔταξαaor van tatto
18εὐθύςogenblikkelijk
18ἔφηναaor van phaino
18κελεύωbevelen, verzoeken
18κλέπτωstelen
18νέμωverdelen, toedelen
18ὁ νόμοςgewoonte, gebruik, wet
18παρασκευάζωvoorbereiden, klaarmaken
18παρεσκεύασαaor van paraskeuazo
18πρός + dattegen ... aan, dichtbij
18τάττωopstellen, ordenen
18φαίνωlaten zien, tonen
19ἀγγέλλωberichten
19ἡ ἀγοράmarkt
19αἱ Ἀθῆναι(de stad) Athene
19ὁ ἈθηναῖοςAthener
19ἀναγιγνώσκωherkennen
19ἀνέγνωνaor van anagignosko
19ἆρ’ οὐ(κ);toch zeker, toch wel?
19ἆρα μή;toch niet?
19δοκέωlijken, de indruk wekken, menen
19δράωdoen, handelen
19ἐάω(toe)laten, toestaan
19ἔδοξαaor van dokeo
19ἐκάλεσαaor van kaleo
19ἔπεισαaor van peitho
19ἐτέλεσαaor van teleo
19ἤγγειλαaor van angello
19καλέωroepen, noemen
19κρατέωde sterkste zijn, heersen over + gen
19λυπέωpijn doen, verdriet doen
19πείθωovertuigen, overhalen
19ἡ στρατιάleger
19τελέωvoltooien, afmaken